Liv en Lopu lagen in bed. Liv lag te slapen, maar Lopu lag te staren naar het plafond. Lopu keek verdrietig. Het was warm vanavond, en Liv lag met haar arm om Lopu heen. Lopu lag met zijn armpjes op die van Liv. Het maanlicht scheen naar binnen. Plotseling werd Liv wakker.1
"Gaap! Ben je nog wakker Lopu?" vroeg Liv. "Ja. Ik kan niet slapen." Liv haar ogen werden groot. Wat gebeurde er nou? "Wat zei je?" vroeg ze bang. "Ik kan niet slapen Liv", zei Lopu,"Het is warm, en ik ben klaar wakker. Kun je mij misschien een verhaaltje vertellen?" Liv schrok, en trok snel de dekens over zich heen. Ze was bang. Haar teddybeer sprak! Langzaam werden de dekens van haar af getrokken. "Liv, luister je wel naar me? Kun je alsjeblieft een verhaaltje vertellen? Ik kan anders niet slapen."2
Lopu keek heel verdrietig, en Liv gaf hem snel een knuffel. "Ik wist niet dat jij kon praten Lopu", zei Liv. "Weet ik. Ik praat niet graag, maar iemand moet me toch een verhaaltje vertellen?" Lopu keek nog steeds verdrietig. "Tuurlijk wel Lopu. Mag grootmoeder weten dat je kan praten?" vroeg Liv. "Tuurlijk, zolang niet iedereen het weet. Straks word ik nog gestolen!" Liv lachte, en nam de teddybeer op schoot. "Niemand kan jou van mij afpakken Lopu." Ze gaf de teddybeer een kus op het hoofdje.
